Pass Theory
« Terug naar hoofdstukken

Hoofdstuk 16

Voertuigtechniek & Onderhoud

Banden, remmen, ABS, ESP, motorolie, koelvloeistof, de dynamo, schakeltechniek, wat te doen als een auto begint te slippen, en aquaplaning.

Banden

Alles wat de auto doet — versnellen, remmen, bochten nemen — hangt uiteindelijk af van vier stukken rubber die de grond raken, en daarom werkt hun toestand door in dingen die je niet meteen met banden associeert: hoeveel afstand je nodig hebt om te stoppen, hoeveel brandstof je verbruikt, hoe zelfverzekerd de auto zijn lijn houdt. Ouderdom alleen al verhardt het rubber, los van hoeveel profiel er nog over is.

  • Kleine verhoogde balkjes in de hoofdgroeven komen tevoorschijn zodra het profiel tot de wettelijke ondergrens is afgesleten — beschouw hun verschijning als het signaal om de band te vervangen, geen mijlpaal om naartoe te werken.
  • Radiale en diagonale constructie op één auto combineren mag over het algemeen, met één specifieke uitzondering die verboden is: radiaal vooraan gecombineerd met diagonaal achteraan. De logica is dat zodra je radiale banden op de vooras zet, de achteras moet volgen.
  • Neem een band met opschrift 195/65 R15 91H als voorbeeld: 195 geeft de breedte in millimeter, 65 de hoogte-breedteverhouding in procent, R zegt je dat het om radiale constructie gaat, 15 is de velgdiameter in inch, 91 is de belastingsindex, en H is de snelheidsindex — de bovengrens van snelheid waarvoor de band gebouwd is.
  • Spijkerbanden krijgen een smal venster — 1 november tot en met 31 maart — en enkel op voertuigen waarvan de M.T.M. niet boven 3,5 ton uitkomt. Monteer je ze, dan aanvaard je ook hun snelheidsplafond: 60 km/u weg van autosnelwegen, 90 km/u op autosnelwegen en dubbele rijbanen, al krijgt een lagere zonelimiet, zeg 50 km/u in bebouwde kom, altijd voorrang.
  • Sneeuwkettingen volgen een andere regel dan spijkerbanden — er geldt geen kalendervenster, enkel de werkelijke omstandigheden: monteer ze wanneer de weg echt sneeuw of ijs heeft, niet eerder.
  • Winterbanden doen hun werk pas goed als alle vier de hoeken van de auto ze hebben — enkel het voor- of achterpaar monteren ondermijnt het hele idee.
  • Reken op nieuwe banden ergens tussen 10.000 en 15.000 km, ongeacht of het profiel er nog goed uitziet — en draai bouten, telkens je ze terugzet, in een stervormig patroon aan in plaats van gewoon rondom, want dat is wat het wiel echt gelijkmatig doet zitten.
Raak je bandenspanning niet aan enkel omdat het koud is geworden of begint te sneeuwen — het cijfer van de fabrikant geldt ongeacht het seizoen. Wat wél een kleine verhoging verdient, is een zware lading of een lange rit, niets te maken met de thermometer.

Motorolie en koelvloeistof

Olie doet meer dan één taak in een draaiende motor: ze voorkomt dat bewegende metalen onderdelen rechtstreeks tegen elkaar schuren, behoedt de motor voor oververhitting of vastlopen, houdt roest van inwendige onderdelen weg, en neemt vuil op terwijl ze circuleert. Trek de peilstok eruit terwijl de motor koud is — of een tijdje ongebruikt heeft gestaan — en de auto op vlakke grond geparkeerd staat, en vul bij als het peil vlak bij het minimum staat voor een lange rit, in plaats van het erop te wagen.

Ook remvloeistof verdient een eigen regelmatige controle — ze zit in een eigen reservoir, volledig los van de motorolie en de ruitensproeier, en ze te laag laten worden knabbelt aan je remvermogen.

Verbranding produceert veel meer warmte dan de motor gewoon kan opnemen, dus die energie moet ergens naartoe — dat is de taak van de koelvloeistof, die warmte naar de radiator vervoert zodat de motor in het temperatuurbereik blijft waarin hij het best draait in plaats van zichzelf te garen.

Met de motor uit, komt elke elektrische vraag — de radio, de lichten, het starten — rechtstreeks van de batterij alleen. Zodra de motor draait, gaat die taak naar de dynamo, die de elektriciteit van de auto zelf levert en de batterij ondertussen weer oplaadt.

Koud winterweer maakt het moeilijker voor een batterij om goed te werken, wat verklaart waarom er in de winter zoveel batterijen het begeven — een batterij die toch al op zijn laatste benen loopt, geeft het vaak op zodra de kou toeslaat.

ESP: Electronic Stability Program

Stel je een auto voor die op het punt staat zijn lijn te verliezen — hard uitwijken voor iets op de weg, met te veel snelheid een bocht ingaan, of verrast door een wegdek dat minder grip biedt dan het lijkt. Precies dan bewijst ESP zijn waarde, door op eigen initiatief individuele wielen af te remmen om de auto terug op het pad te duwen dat de bestuurder eigenlijk wil. Heel wat veiligheidsspecialisten plaatsen het naast de veiligheidsgordel en de airbag als een echt keerpunt.


Rem- en bochttechniek

  • Regel je snelheid voor de bocht er is, niet erin — halverwege een bocht nog remmen is precies het moment waarop je het evenwicht van de auto het minst wil verstoren.
  • Links of rechts afslaan komt met een volgorde die de moeite waard is om te respecteren: eerst spiegels, dan richtingaanwijzer, dan vaart minderen — niet remmen voor je zelfs maar gekeken hebt of je bedoeling kenbaar hebt gemaakt.

Schakelen

  • Zodra een versnelling is ingeschakeld — en eigenlijk, telkens de koppeling niet echt nodig is — hoort je linkervoet op de daarvoor bedoelde voetsteun, naast het pedaal in plaats van erboven of eronder te zweven. Laat je voet op de koppeling zelf rusten, en je merkt dat ze begint te slippen.
  • Of een steile helling je nu omhoog of omlaag stuurt, schakel naar een lagere versnelling terwijl je nog op de nadering zit — niet eenmaal je al op de helling zit.

Als je auto begint te slippen

Voor of achter, het reddende instinct is identiek: houd je ogen gericht op het pad dat je eigenlijk wil, niet op wat de slip veroorzaakt of de richting waarin je afdrijft — je handen volgen doorgaans je blik.

  • Verliezen de voorwielen grip, blijf dan van de rem — erop drukken blokkeert die wielen alleen maar meer en kost je de tractie die je nog hebt.
  • Een achterwielslip vraagt om een andere reactie: laat het gaspedaal los en druk de koppeling in — ook hier is remmen uit den boze.

Aquaplaning

Bij hevige regen kan zich een dunne waterfilm opbouwen tussen de banden en de weg, sneller dan het profiel kan afvoeren. Gebeurt dat, dan verliezen de banden helemaal het contact met het wegdek — de auto 'zweeft' als het ware op het water en wordt tijdelijk onbestuurbaar, wat je ook met het stuur doet. Versleten profiel en te lage of te hoge bandenspanning maken dit allebei waarschijnlijker.

Een waterfilm tilt de banden van de weg — sturen heeft geen effect tot het contact terugkeert.


Noodstopstroken

Op sommige steile, lange afdalingen zie je een zijstrook aangeduid als noodstopstrook. Dat is geen plaats om te stoppen — het is de plaats waar je naartoe stuurt als je remmen tijdens de afdaling falen of oververhit raken en je niet meer normaal kan stoppen. Los grind of een stijgend profiel in de strook brengt het voertuig veilig tot stilstand.

Falen je remmen op een afdaling, stuur dan de noodstopstrook in — los grind en een stijgend profiel brengen je veilig tot stilstand.

Hoofdstuktest

Test wat je onthouden hebt. De vragen en antwoordvolgorde worden bij elke poging door elkaar gehusseld, en je hebt 20 seconden om elke vraag te beantwoorden.