Hoofdstuk 12
Verlichting, Signalisatie & Zichtbaarheid
Wanneer je verlichting aan moet zijn, dimlicht versus grootlicht, mistlichten, alarmknipperlichten, je verlichting in orde houden, de vereiste uitrusting voor rijden bij nacht, en de verlichting van een gesleept voertuig.
Wanneer je verlichting aan moet zijn
Je verlichting moet aan zijn tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag. Die daglichtregel gaat verder: telkens wanneer iets je zicht terugbrengt tot ongeveer 200 meter of minder — een stortbui, dichte mist, vallende sneeuw, een tunnel — gaan de lichten aan, ongeacht het tijdstip. Autobestuurders zijn niet wettelijk verplicht om voortdurend met dimlicht te rijden, al is het een verstandige gewoonte; motorrijders en bromfietsers hebben die keuze niet — voor hen blijft het dimlicht onafgebroken branden, dag en nacht.
Dimlicht versus grootlicht
Grootlicht hoort niet thuis in de buurt van een trein of een vaartuig, noch op een weg die zo voortdurend en goed verlicht is dat je al ongeveer 100 meter ver duidelijk kan zien — schakel in beide gevallen naar dimlicht. Diezelfde overschakeling geldt zodra je binnen ongeveer 50 meter achter een ander voertuig rijdt, tenzij je het net aan het inhalen bent. En wanneer een tegenligger zijn lichten naar jou laat knipperen, is dat je sein om onmiddellijk te dimmen in plaats van te wachten tot de afstand kleiner wordt. Buiten deze specifieke gevallen dekt het onderliggende principe al de rest: laat je verlichting nooit een andere weggebruiker verblinden.
Grootlicht — enkel wanneer niemand erdoor verblind kan worden
Dimlicht — voor tegenliggers, en binnen ongeveer 50 m achter een ander voertuig
Mistlichten
Mistvoorlichten zijn geen verplichte uitrusting, en er is geen regel die je verplicht ze te gebruiken — maar mist, sneeuwval, of zware regen rechtvaardigen allemaal dat je ze aanzet. Een mistachterlicht werkt anders: mist of sneeuw rechtvaardigen het pas zodra het zicht effectief tot ongeveer 100 meter of minder is teruggevallen, terwijl zware regen het rechtvaardigt ongeacht hoe ver je kan zien. Wat de aanleiding ook is, zet het weer uit zodra de omstandigheden verbeteren — aan laten bij normaal zicht doet niets anders dan de bestuurder achter je verblinden en afleiden.
Alarmknipperlichten
Zet al je richtingaanwijzers tegelijk aan telkens er een echt gevaar te melden valt — een plotse rij stilstaand verkeer, een ongeval net om de bocht. Dit doen terwijl je nog rijdt is een van de zeldzame momenten waarop alarmknipperlichten bedoeld zijn om onderweg gebruikt te worden, zodat het verkeer achter je gewaarschuwd wordt voor het bereikt wat jij al gezien hebt. Dezelfde lichten zijn nodig eens je stilstaat: geparkeerd op een plek die echt riskant is, met pech langs de kant van de weg, of gekoppeld aan iets wat je sleept.
Je verlichting in orde houden
Een voertuig mag enkel op de openbare weg rijden als het volledig aan zijn technische vereisten voldoet, inclusief werkende verlichting — dit is een blijvende wettelijke plicht, niet enkel iets dat bij een technische keuring gecontroleerd wordt. Achteruitrijlichten zijn een goed voorbeeld van hoe het gebruik van een licht aan zijn functie gekoppeld is: ze mogen enkel branden terwijl de achteruitversnelling effectief ingeschakeld is, nooit op een ander moment.
Vereiste verlichting voor rijden bij nacht
- Witte of geelachtige dimlichten vooraan.
- Rode lichten achteraan, plus rode remlichten die feller oplichten wanneer je remt.
- Een wit licht dat de achterste kentekenplaat verlicht.
- Rode reflectoren achteraan.
De verlichting van een gesleept voertuig
Zowel het slepende als het gesleepte voertuig moeten hun alarmknipperlichten laten branden. Bij een starre sleepstang volstaat de eigen verlichting van het gesleepte voertuig doorgaans, zolang die nog werkt. Slepen met een flexibel sleeptouw of -riem vereist in plaats daarvan een extra achterlichtbalk aan het gesleepte voertuig, zodat het duidelijk zichtbaar blijft van achteren.
Verlichting bij stilstaan of parkeren
Stop je of parkeer je op de rijbaan zelf of de berm ergens tussen het vallen van de avond en het aanbreken van de dag — of eigenlijk, telkens wanneer het zicht daalt tot ongeveer 200 meter of erger — dan wordt een paar kleine lichten verplicht: één of twee bleke stadslichten vooraan, één of twee rode achteraan. Mist, sneeuw, of een zware stortbui geven je ook de optie, maar nooit de verplichting, om je dimlichten of je voor- en achtermistlichten te laten branden terwijl je stilstaat.
Door een tunnel rijden
Dim je koplampen voor de tunnelmond je opslokt, niet erna — het zicht binnenin daalt bijna altijd onder 200 meter. Je zonnebril kan je ook beter vooraf afzetten; die ophouden maakt de plotse duik in duisternis alleen maar zwaarder voor je ogen.
De claxon
Enkel de claxon die af fabriek gemonteerd is, mag je laten horen, en elk signaal moet kort zijn. Overdag is een kort signaal overal toegelaten — binnen of buiten een bebouwde kom — om een botsing te voorkomen of iemands aandacht te trekken, en specifiek buiten een bebouwde kom dient het ook als je teken dat je de bestuurder voor je gaat inhalen. Zodra de nacht valt, is de claxon echter uit den boze, behalve voor gevaar dat werkelijk op het punt staat te gebeuren; voor alles wat minder dringend is na donker, flits je in de plaats daarvan met je lichten.
Hoofdstuktest
Test wat je onthouden hebt. De vragen en antwoordvolgorde worden bij elke poging door elkaar gehusseld, en je hebt 20 seconden om elke vraag te beantwoorden.