Pass Theory
« Terug naar hoofdstukken

Hoofdstuk 11

Autosnelwegen & Bijzondere Wegen

Snelheidslimieten op de autosnelweg, wie een autosnelweg niet mag gebruiken, veilig invoegen en uitrijden, inhaal- en rijstrookregels, wat te doen bij pech, altijd verboden handelingen, en de aparte categorie 'autoweg'.

Autosnelwegen dragen het snelste, drukste verkeer, dus volgen ze een aparte set regels over snelheid, wie ze mag gebruiken, en hoe je invoegt, uitrijdt, en met pech omgaat.

Snelheid op de autosnelweg

De topsnelheid ligt op 120 km/u. Op de rechterrijstrook geldt ook een ondergrens van 70 km/u, die enkel vervalt als een bord iets lagers aangeeft of als verkeer, weer, of wegenwerken het echt onmogelijk maken om mee te blijven. Voor alles boven 3,5 ton en voor de meeste bussen geldt een plafond van 90 km/u. Ook bestuurders met een voorlopig rijbewijs zijn welkom op de autosnelweg, maar blijven aan datzelfde plafond van 90 km/u gebonden, ongeacht wat de toegelaten limiet aangeeft.


Wie een autosnelweg niet mag gebruiken

  • Voetgangers en fietsers.
  • Bromfietsers, van elke klasse.
  • Ruiters en iedereen die een dier begeleidt, en landbouwvoertuigen.
  • Elk voertuig dat niet minstens 70 km/u kan volhouden.

Invoegen op een autosnelweg

Wettelijk gezien wordt invoegen op de autosnelweg via de invoegstrook beschouwd als niets meer dan een rijstrookverandering — waardoor de verplichting volledig bij jou, de invoegende bestuurder, ligt om voorrang te verlenen aan het verkeer dat al op de rijbaan rijdt. Gebruik die invoegstrook om je snelheid op te bouwen en zelf in een opening te schuiven, in plaats van erop te rekenen dat doorgaand verkeer plaats maakt.

Invoegen op een autosnelweg is een rijstrookverandering — de invoegende bestuurder moet voorrang verlenen aan het verkeer dat al op de rijbaan is.

Ritsen: wanneer dicht, traag verkeer op de rijbaan de invoegstrook tot stilstand brengt, moeten bestuurders op de rijbaan om beurten een voertuig laten invoegen, afwisselend met het invoegende verkeer, net op het punt waar de strook echt eindigt — in plaats van dat iedereen vroeg invoegt en de invoegstrook leeg blijft.

Een autosnelweg verlaten

Geef tijdig aan en ga tijdig naar de uitrijstrook, en vertraag binnen die strook — niet op de hoofdrijbaan, waar een plotse snelheidsdaling het verkeer achter je in gevaar brengt. Verlaat de autosnelweg enkel via een gemarkeerde afrit.


Inhalen en rijstrookgebruik

Zoals op elke weg haal je links in. Rechts inhalen blijft verboden, met dezelfde praktische uitzonderingen als elders: kort, terwijl je nog op een invoegstrook zit, of bij traag fileverkeer waar meerdere rijstroken aan gelijkaardige snelheid kruipen. De pechstrook is nooit een rijstrook — ze is voorbehouden voor pech, echte noodgevallen, en voertuigen die er door de politie naartoe worden gestuurd.

Motorrijders krijgen één uitzondering wanneer de rij voertuigen volledig stilstaat of amper vooruitkruipt: tussen de twee meest linkse rijstroken doorglippen mag, met een marge van hoogstens 20 km/u boven wat de omringende auto's halen, en met een absoluut plafond van 50 km/u.

Rijstrookgebonden en tijdelijke snelheidslimieten

Een bord kan een andere snelheidslimiet instellen voor verschillende rijstroken — bijvoorbeeld 90 km/u op de twee linkse stroken en 70 km/u op de rechtse, vaak herhaald ongeveer 1500 meter vooraf. Bij sommige afritten stelt een gecombineerd bord een aparte, meestal lagere, snelheidslimiet in enkel voor de afrit zelf.

F91 — 90 km/u op de twee linkse stroken, 70 km/u op de rechtse

F91 — 90 km/u op de twee linkse stroken, 70 km/u op de rechtse

F89 — vooraankondiging van dezelfde limieten, ongeveer 1500 m vooraf

F89 — vooraankondiging van dezelfde limieten, ongeveer 1500 m vooraf

C43 (90) met een onderbord — een snelheidslimiet die enkel voor de afrit geldt

C43 (90) met een onderbord — een snelheidslimiet die enkel voor de afrit geldt

GXI — het onderbord dat aangeeft dat de limiet enkel voor de afrit geldt

GXI — het onderbord dat aangeeft dat de limiet enkel voor de afrit geldt

Windstil weer laat druk verkeer uitgroeien tot smog — fijne deeltjes in de lucht die echt schadelijk zijn voor de gezondheid. Om erger te voorkomen, kunnen de autoriteiten tijdelijk een plafond van 90 km/u opleggen op autosnelwegen, voor één of meerdere dagen na elkaar, aangeduid met elektronische signalisatie boven de weg of met een gewoon bord van 90 km/u met een plaatje 'SMOG' eronder.

Er is ook een venster voor spijkerbanden — van 1 november tot en met 31 maart, en enkel op voertuigen tot 3,5 ton. Zijn ze gemonteerd, dan zakt je plafond: 90 km/u op autosnelwegen en op wegen met 2x2 rijstroken gescheiden door een middenberm, en verder naar 60 km/u op alle andere wegen.

De spitsstrook

Op sommige stukken autosnelweg kan er tijdens de drukste uren een extra rijstrook worden opengesteld, puur om files te vermijden, gescheiden van de gewone stroken door een onderbroken witte streep. Of ze open is, zie je aan het bord dat erboven hangt: een rood kruis sluit haar voor jou uit, een groene pijl geeft je vrij baan. Omdat deze strook doorgaans smaller uitvalt dan de stroken ernaast, mag je ook een lagere snelheidslimiet erboven verwachten. Valt je auto er stil, weersta dan de neiging om daar te stoppen — rijd, als het kan, door tot je een echte pechhaven bereikt.

Hetzelfde bord boven de rijstroken wordt algemener gebruikt om rijstroken op autosnelwegen en autowegen te beheren: een groene pijl betekent dat de strook open is, een rood kruis dat ze gesloten is, en een oranje pijl dat je die strook moet verlaten, in de richting die de pijl aangeeft, voor ze verderop sluit.

Een hulpstrook vormen

Zodra zich een file begint te vormen op een weg met twee of meer doorlopende rijstroken in jouw richting — deze regel geldt niet enkel op autosnelwegen — zijn bestuurders de hulpdiensten een doorgang verschuldigd voordat de rij voertuigen helemaal vastloopt. Bij twee stroken zit die ruimte tussen links en rechts; komt er een derde strook bij, dan verschuift ze naar tussen links en midden. Wie die ruimte vanaf de rechterrijstrook vormt, mag niet uitwijken naar een op dat moment gesloten spitsstrook, de pechstrook, een buslane, of een wegdek voorbehouden voor bussen.


Spookrijders

Af en toe belandt iemand op een autosnelweg in de verkeerde rijrichting, recht tegenover het verkeer op wat eigenlijk een eenrichtingsrijbaan hoort te zijn. Zie je er ooit één op je afkomen: verminder je snelheid en schuif naar de rechterrijstrook — ongevalscijfers tonen steevast dat zulke bestuurders neigen naar wat voor hen 'hun' rechterkant aanvoelt, wat vanuit jouw stoel de linkerrijstrook is. Bewaar een lichtflits voor het exacte moment waarop jullie elkaar echt kruisen, nooit vroeger, zodat je hem niet in paniek jaagt. Bel de politie zodra je ergens veilig bent.


Als je pech hebt

Laat je alarmknipperlichten meteen knipperen, en rijd naar de pechstrook als de auto nog rijdbaar is. Voor iemand een portier opent, moet de bestuurder dat reflecterende veiligheidsvest aan hebben — precies daarom ligt het in de cabine en niet in de koffer. Die verplichting geldt zowel op autosnelwegen als in de categorie 'autoweg', eigenlijk overal waar je belandt op een plek waar stilstaan of parkeren normaal verboden zou zijn. Zet de gevarendriehoek ongeveer 100 meter achter de auto neer — een volle 70 meter verder dan de 30 meter die je op een gewone weg zou gebruiken — zo geplaatst dat tegenliggers hem nog vanaf 50 meter kunnen opmerken. Ga dan met iedereen achter de vangrail staan, weg van zowel de rijbaan als de pechstrook, en bel om hulp: 112 is de pan-Europese noodlijn en verbindt je overal in België of de ruimere EU.

100 m

Rijd op de pechstrook, doe een veiligheidsvest aan voor je uitstapt, plaats de driehoek ongeveer 100 m achteraan, en wacht achter de vangrail.

Je auto laten wegslepen werkt verschillend naargelang de weg: op een autosnelweg mag enkel een sleepdienst die door de politie wordt opgeroepen je wegslepen, want de politie beslist wie er op de pechstrook mag werken. Op een autoweg mag je zelf een sleepdienst naar keuze bellen.
Een defecte auto slepen met een touw, riem, of noodkoppeling is volledig verboden op autosnelwegen en autowegen — daar moet je een professionele sleepdienst gebruiken. Op een gewone weg is dit soort slepen toegelaten, maar beperkt tot 25 km/u.

Handelingen die op een autosnelweg altijd verboden zijn

  • Achteruit rijden, of keren via een U-bocht of een driepuntswending.
  • De middenberm oversteken, of tegen de normale rijrichting in rijden.
  • Stilstaan of parkeren op de rijbaan of de pechstrook, tenzij bij een echte pech of noodgeval.
  • Een verbindingsweg tussen de twee rijbanen gebruiken, of afdwalen naar de berm.
  • Een defect voertuig slepen met een noodkoppeling of -verbinding.

"Bijzondere wegen" — de autoweg

De borden F9 en F11 markeren begin en einde van een wegcategorie voorbehouden voor motorvoertuigen die niet ver genoeg gaat om een volwaardige autosnelweg te zijn — de 'autoweg'. Er kunnen nog gelijkvloerse kruispunten en werkende verkeerslichten op voorkomen, en ze weert dezelfde groep als een autosnelweg (geen voetgangers, fietsers, bromfietsers, of trage voertuigen), maar de ondergrens van 70 km/u verdwijnt hier volledig — welke snelheidslimiet ook toevallig is aangeplakt, die geldt gewoon.

Stilstaan en parkeren zijn op een autoweg verboden, net als op een volwaardige autosnelweg — de soepelere snelheidsregels versoepelen dit niet.
F5 — begin autosnelweg

F5 — begin autosnelweg

F7 — einde autosnelweg

F7 — einde autosnelweg

F9 — begin autoweg

F9 — begin autoweg

F11 — einde autoweg

F11 — einde autoweg

Een autosnelweg heeft nooit een gelijkvloers kruispunt. Wat ze wel heeft, op de plekken waar twee autosnelwegen samenkomen en het verkeer van de ene naar de andere kan overstappen, is wat een verkeerswisselaar wordt genoemd.

Blauw-witte informatieborden tonen ook wegnummers, zodat je in één oogopslag weet op wat voor soort weg je rijdt.

F23c — nummer van een internationale (E-)weg

F23c — nummer van een internationale (E-)weg

F23d — nummer van een Belgische autosnelweg (A-)

F23d — nummer van een Belgische autosnelweg (A-)

Een derde nummeringssysteem dekt gewone wegen: een N-nummer (bijvoorbeeld N9) duidt een gewone gewestweg aan, verschillend van de A-genummerde autosnelwegen en E-genummerde internationale wegen.

Hoofdstuktest

Test wat je onthouden hebt. De vragen en antwoordvolgorde worden bij elke poging door elkaar gehusseld, en je hebt 20 seconden om elke vraag te beantwoorden.